Duursport doet een mens goed.

Maar er zijn ook risico’s, zeker als sporters onvoldoende

voorbereid op pad gaan.  

Onder sporters doen zich drie keer zoveel

fatale hartstilstanden voor als onder niet sporters.


Hartconditie

 

Een deskundigen comrnissie onder de paraplu van het Inter­nationaal Olympisch Comité heeft eind vorig jaar uitgespro­ken dat bij keuringen van sporters veel meer aandacht ge­schonken dient te worden aan hun hartconditie. Bij de keu­ring moeten artsen aan aspi­rant-sporters vragen stellen over eventuele hartproblemen in de familie. Verder moet er een elektrocardiogram worden gemaakt, waarmee onder an­dere het hartritme wordt geme­ten. In de commissie waren ook de Wereldvoetbalbond FIFA en de internationale wieleror­ganisatie UCI waren vertegen­woordigd.

Aanleiding vormde een studie van de Nederlandse cardioloog Erik Meijboom. Daaruit blijkt dat 90 procent van alle plotselinge sterfgevallen in de sport te wijten is aan hartstil­stand. Bovendien doen zich onder sporters drie keer zoveel fatale hartstilstanden voor als onder de niet-spor­ters.


 

 

Deelnemers lopen geheel op eigen risico‘.

 

Het is een standaardzinnetje bij vrijwel elk loopevenement. Dikwijls opgenomen in een wat uitgebreidere tekst, die mensen waarschuwt om nooit onvoorbereid aan welke sportieve krachtproef dan ook deel te nemen. Overbodig en inhoudsloos zijn die waarschuwingen zeker niet. Een aantal keren per jaar gaat het mis, flink mis zelfs. Zoals afgelopen zomer in IJsselstein (Utrecht).Tijdens de 22ste IJsselsteinloop zakten twee deelnemers in elkaar om niet meer op te staan. De 28-jarige B.F en de 63-jarige N.A moesten hun deelname aan de trimloop met de dood bekopen. Een enorme slag voor de directe na­bestaanden van deze twee sportievelingen. die vol­gens de berichten beiden geoefende lopers waren. En een nachtmerrie voor de organisatoren. in dit ge­val vrijwilligers van het politiedistrict Lekstroom. Hun elk jaar in deelnemertal groeiende loopfeest draaide uit op een drama van de eerste orde.

 

Plotselinge dood in de sport. Ruwe schattingen zeg­gen dat het ongeveer honderd keer per jaar voor­komt. Het aantal sportdoden is te gering om er aller­lei conclusies aan te verbinden. In de voetballerij komt het euvel vaker voor dan bij het wielrennen of hardlopen, maar dat is logisch: de voetbalsport heeft verreweg de meeste deelnemers in ons land. Wel Staat vast dat de oorzaak van plotselinge sterfge­vallen in de sport in de meeste gevallen een acute hartstilstand is, als gevolg van een aangeboren afwij­king, een verborgen aandoening of een dichtgeslibd vat. Vanzelfsprekend zijn ouderen vaker het slacht­offer dan jonge sporters.

Op het totaal van de slachtoffers van een acute hart­stilstand (vijftienduizend per jaar in ons land) vormen de sportdoden maar een klein groepje. Toch trekt hun lot sterk de aandacht, juist omdat aan sport in het algemeen en duursport in het bijzonder het etiketje gezond hangt. In de sportgeneeskunde is dan ook veel onderzoek gedaan naar het fenomeen van acute hartsstilstand. Jan Hoogsteen, cardioloog aan het  Centrum in Veldhoven promoveerde vorig jaar in Leiden op een onderzoek naar de risico‘s van hartfa­len in duursporten als hardlopen en wielrennen. Als ploegarts van onder andere TVM en PDM bouwde Hoogsteen een schat aan ervaring op in de sportgeneeskunde. In publicaties en interviews begint Hoogsteen stee­vast met de opmerking dat duursporten de mens meer goed doen dan kwaad. Daarmee verweert hij zich tegen mensen die in het fenomeen sportdoden grond zien om het kind met het badwater weg te gooien. Sportdoden komen uitgebreid in het nieuws, de mensen die door intensief te bewegen aan hungezondheid werken, niet. Plotselinge hartdood in de sport is nooit helemaal uit te bannen. Maar door betere begeleiding en meer,. medisch onderzoek is het volgens Hoogsteen wel mogelijk risico‘s eerder op te sporen. Temidden van de vele duizenden duursporters zit nu eenmaal een kleine groep, voor wie er gevaar kan dreigen bij in­tensieve sportbeoefening.

In het Leidse universiteitsblad Mare zei Hoogsteen daarover: ‘Een goed advies aan duursporters kan tegen gaan dat klachten en symptomen erger worden.  Het is voor een doorsnee- cardioloog niet altijd gemakkelijk om de specifieke klachten van sporters te herkennen. Het is niet het klassieke verhaal, dus moet je goed doorvragen  Zijn er geen klachten of symptomen die op het risico van hartfalen wijzen, dan wordt het moeilijker. Met een eenvoudige sportkeuring kan een arts geen aan geboren afwijking aan hart of vatenstelsel ontdekken. Het initiatief tot intensievere keuring moet dan ook komen van de sporters zelf. Bijvoorbeeld omdat er in de familie vaker hartkwalen voorkomen of om dat er zorgwekkende symptomen zijn.

 

Sportarts Willemien van Teeffelen deed eind jaren negentig onderzoek naar het medische verleden van Sporters die onverwacht overleden. Door hun verhaal naast dat van actieve sporters te leggen, probeerde ze te achterhalen of er bij de slachtoffers voortekenen waren geweest. In veel gevallen bleek dat zo te zijn. Zijn het niet de sporters zelf die aan de bel trekken, dan is er ook nog een rol weggelegd voor de omgeving.

In zijn publicaties wijst cardioloog Hoogsteen op het fenomeen van de ‘branieschoppers‘.

Daarmee doelt hij op mensen – meestal mannen - die in een opwelling en met volstrekt onvoldoende voorbereiding besluiten tot het lopen van een marathon, het per fiets beklimmen van de Alpe d‘Huez of het schaatsen van een Elfstedentocht. Behalve zichzelf bewijst deze categorie ook de sport een slechte dienst.

 

Sportkeuring


Wie gaat zweefvliegen of diepzeeduiken, ontkomt niet aan een verplichte sportkeuring die helemaal is afgestemd op deze sporten. Ook voor tennissers en wielrenners is een sportkeuring verplicht, wanneer deze spor­ten tenminste op wedstrijdniveau worden beoefend. In alle andere sporten behoort de verplichte sportkeuring tot het verleden. Van tijd tot tijd gaan er stemmen op om daar op terug te komen. maar ook binnen het wereldje van sportgeneeskundigen wordt hier verschillend over gedacht. Het probleem is dat de keuring vrij, oppervlakkig is en dus meestal onvoldoende om dieper liggende fysieke afwijkingen of risico‘s daarop op te sporen. Een garantie voor beperkt en probleemloos sporten biedt de keuring dus niet. Toch werkt de keu­ring wel als een zeef, zeker bij mensen die om wat voor reden dan ook al bepaalde risico’s lopen. Op vrijwillige basis is een sportkeuring altijd mogelijk.

Steeds meer verzekeraars vergoeden de kosten van basiskeuringen,

die voor een eenvoudige keuring 80 euro bedragen en voor een iets uitgebreidere 165 euro.


 

 

Door  HANS  W{LLEM