![]()

Het lange QT syndroom
Korte
beschrijving
Het LQTS is een aangeboren hartafwijking, die ontstaat door een verandering in
het erfelijke materiaal. De elektrische stroomvoorziening van het hart regelt de
samentrekking van de hartspieren. Als gevolg van deze samentrekking wordt het
bloed door het lichaam rondgepompt. Bij LQTS is er sprake van een normaal hart,
maar de stroomvoorziening van het hart kan ineens verstoord raken. Door deze
afwijking in de stroomvoorziening ontstaat er een verlenging van de QT- tijd. In
deze QT- tijd herstelt het hart zich, om een volgende hartslag te maken (zie
afbeelding hieronder). Een afwijking in deze herstelperiode kan een ontsporing
van het hartritme veroorzaken. Hierdoor gaat het hart chaotisch en
ongecontroleerd kloppen en pompt daardoor geen bloed meer rond, waardoor mensen
bewusteloos kunnen raken of snel kunnen overlijden. Een verstoring van het
hartritme kan ontstaan door bepaalde gebeurtenissen: een duik in het water of
een zware inspanning (type LQTS 1), een sterke emotie of een onverwacht hard
geluid (type LQTS 2), of bij rust, bijvoorbeeld tijdens de slaap (LQTS type 3).
De eerste verschijnselen van LQTS kunnen al op de kinderleeftijd optreden. In
een zeer klein aantal gevallen zou LQTS ook een rol kunnen spelen bij
wiegendood.

Afbeelding van een elektrocardiogram (ECG). Hierin is het tijdsinterval QT te
zien. In deze periode pompt het hart één keer, en maakt zich klaar voor de
volgende hartslag.
Diagnose
De diagnose kan gesteld worden op grond van een afwijkende ECG
(elektrocardiogram). Het ECG is echter niet altijd afwijkend. Bij een
plotselinge hartdood van een gezonde persoon jonger dan 40 jaar zou er sprake
kunnen zijn van LQTS. Een onverklaarbare verdrinkingsdood of verkeersongeval kan
ook een aanwijzing zijn voor LQTS. Cardiologisch en genetisch onderzoek kan al
op de kinderleeftijd worden aangeboden aan familieleden.
DNA - diagnostiek wordt uitgevoerd bij de afdeling Cardiogenetica van het AMC Amsterdam en de Stichting Klinische Genetica Zuid - Oost-Nederland van het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Het duurt tenminste drie maanden voordat u een uitslag krijgt van een DNA-onderzoek naar de verschillende typen LQTS. In de database van de Online Mendelian Inheritance in Man (OMIM) vindt u meer informatie over het onderzoek naar de betrokken genen.
Erfelijk risico en genetisch onderzoek
Het lange QT syndroom: een elektrische ziekte van het hart
In het lange QT syndroom (LQTS) treedt er een verstoring op van de elektrische
prikkels in het hart. Het hart is een spier die bloed door het hele lichaam
pompt. Deze pomp wordt elektrisch aangedreven. De elektrische activiteit in het
hart kan bekeken worden met een elektrocardiogram (ECG). In het LQTS treedt er
een probleem op met deze elektrische prikkels waardoor een karakteristieke
afwijking kan gezien worden op het ECG: een verlengde QT afstand (lange QT- tijd)
Een verlengde QT- tijd kan leiden tot ritmestoornissen met symptomen zoals
hartkloppingen, flauw vallen, en soms plots overlijden. De symptomen kunnen
zich voordoen op alle leeftijden. Sommige personen met een afwijkend ECG zullen
nooit symptomen ontwikkelen.
Het LQTS komt vrij zeldzaam voor: in onze bevolking wordt ongeveer 1 op de 5000
personen in de loop van het leven getroffen door het LQTS.
Nadat de diagnose van het LQTS gesteld is, zullen een aantal andere onderzoeken
worden uitgevoerd om uit te maken of een behandeling dient ingesteld te worden.
Er zijn verschillende behandelingsopties mogelijk: medicatie, pacemaker of een
automatische defibrillator (ICD). Een ICD is een toestel dat zoals een
pacemaker onder de huid wordt ingeplant. Een draadje loopt vanuit het toestel
naar het hart waar het een elektrisch shock kan afleveren zodra dit nodig is.
Het plaatsen van een ICD is niet nodig bij alle patiënten met een LQTS.
Naargelang het subtype van het LQTS zal de therapie ook aangepast kunnen
worden. Deze mogelijkheden zullen door de behandelend hartspecialist
geëvalueerd worden.
Een verlengde QT- tijd: aangeboren of verworven aandoening
Men maakt een onderscheid tussen aangeboren oorzaken van een verlengde QT- tijd
(LQTS - zie paragraaf 'Erfelijkheid in het LQTS') en verworven oorzaken van een
verlengde QT- tijd. Sommige geneesmiddelen hebben een schadelijke invloed op de
elektrische activiteit in de hartspier en kunnen daardoor de QT- tijd
verlengen. Deze nevenwerking van bepaalde geneesmiddelen kan gevaarlijk zijn,
aangezien een verlenging van de QT- tijd kan leiden tot ritmestoornissen van
het hart. Dit onderscheid in aangeboren en verworven oorzaken blijft belangrijk
voor de klinische aanpak. Toch kan dit onderscheid niet zwart-wit gesteld
worden. Enerzijds kan bij personen met een erfelijke vorm (dus met een fout in
één gen) de aandoening worden uitgelokt door bepaalde medicatie. Anderzijds
spelen genetische variaties ook een rol in de gevoeligheid voor medicatie bij
de niet-erfelijke vorm. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom de ene persoon wel
een verlenging van de QT-tijd ontwikkelt bij bepaalde medicatie en de andere
persoon niet.
Erfelijkheid
Alvorens in te gaan op de erfelijkheid van LQTS volgt hierna wat uitleg
over erfelijkheid in het algemeen.
Het lichaam is opgebouwd uit cellen. In de kern van de cel bevindt zich bijna
al het erfelijk materiaal, in wat het DNA wordt genoemd. Door opeenvolgende
celdelingen wordt het DNA doorgegeven aan alle dochtercellen. Tijdens de
celdeling neemt het DNA de vorm aan van chromosomen. Bij de mens bevatten de
lichaamscellen met celkern 23 paren chromosomen, dus 46 chromosomen. Elk
chromosoom is drager van een reeks genen die de informatie bevatten voor onze
erfelijke eigenschappen. Een gen is dus een stukje DNA dat een welbepaalde rol
vervult en dat aan de basis kan liggen van een bepaalde eigenschap. Het totaal
aantal genen bij de mens wordt geschat op meerdere tienduizenden.
Bij elke geslachtelijke voortplanting gaat van elk chromosomenpaar van de vader
en van de moeder één chromosoom naar de volgende generatie. Dit gebeurt via de
bevruchting van een eicel van de vrouw door een zaadcel van de man, waarbij
eicel en zaadcel - in tegenstelling tot lichaamscellen - slechts 23 chromosomen
bevatten, namelijk één chromosoom van elk van de 23 moederlijke en 23
vaderlijke chromosomenparen. Door de samensmelting van eicel en zaadcel wordt
het erfelijk materiaal van beide voortplantingscellen samengevoegd. De
bevruchte eicel bevat dan opnieuw 23 chromosomenparen, waarbij ieder paar
bestaat uit een vaderlijk en een moederlijk chromosoom. Ouders geven dus ieder
de helft van hun DNA door aan ieder van hun kinderen.
Erfelijkheid in het LQTS
De genen die betrokken zijn in het LQTS bevatten informatie voor het normale
elektrische functioneren van de hartspier. Een foutje in één van deze genen
(mutatie) heeft tot gevolg dat één van de elektrische stromen foutief werkt
waardoor het hart plots snel en onregelmatig kan beginnen kloppen.
Tot op heden kent men minstens zeven types van het LQTS. Sommige vormen worden
echter veroorzaakt door afwijkingen in nog andere, niet gekende genen.
Het afwijkend gen dat aanleiding geeft tot LQTS kan zowel van de moeder als van
de vader geërfd zijn. Als het afwijkend gen bij één van beide ouders aanwezig
is, is er steeds 50% kans dat het afwijkend gen bij de bevruchting doorgegeven
wordt aan het kind. Zowel de moeder als de vader geven immers de helft van hun
erfelijk materiaal door aan ieder van hun kinderen. Elk van de kinderen heeft
dus 50% kans om het afwijkend gen over te erven. Natuurlijk betekent dit ook
dat ieder van de kinderen 50% kans heeft om het afwijkend gen niet te erven.
Zoals duidelijk is, zijn er bij iedere zwangerschap 4 combinaties mogelijk. Bij
2 van deze 4 mogelijkheden is het afwijkend gen in het erfelijk materiaal van
de vrucht aanwezig. Bij iedere zwangerschap is er dus 50 % kans op een kind dat
het afwijkend gen draagt.
Een persoon die een afwijking heeft in een gen waarvan gekend is dat het LQTS
veroorzaakt, heeft een verhoogd risico op het ontwikkelen van deze aandoening.
De persoon heeft dus een 'voorbeschiktheid' (geen absolute zekerheid maar een
verhoogde kans). Welke andere factoren een rol spelen bij het al dan niet tot
uiting komen van deze ziekte is nog onbekend.
Niet alle familieleden, die drager zijn van dezelfde genetische fout, zullen
dezelfde symptomen vertonen: sommige dragers zullen geen last ondervinden,
anderen ontwikkelen dan weer wel symptomen. Ook de factoren die hiervoor
verantwoordelijk zijn, kent men nog niet.
Het feit dat nog niet alle genen, die betrokken zijn in het LQTS syndroom,
gekend zijn betekent dat bij sommige patiënten met deze aandoening geen
genetische fout wordt gevonden.
DNA-onderzoek
DNA onderzoek kan de diagnose bevestigen door het aantonen van een afwijking in
één van de gekende genen voor LQTS. Soms kan het vinden van een welbepaalde
genetische afwijking de verdere behandeling door de cardioloog mee bepalen.
De voorwaarde om te starten met DNA-onderzoek is dat er DNA van minstens één
aangetast familielid beschikbaar is of dat er aangetaste familieleden in leven
zijn bij wie bloed kan worden genomen voor DNA-onderzoek. Dit onderzoek gebeurt
door één enkele bloedafname van ongeveer 10 ml. De kosten voor dit onderzoek
worden vergoed door het RIZIV, op het remgeld na. Als via DNA-onderzoek bij
deze aangetaste familieleden de afwijking in één van de LQTS genen aangetoond
wordt is predicatief genetisch testen van niet aangetaste verwanten mogelijk.
De zoektocht naar een oorzakelijke mutatie kan vergemakkelijkt worden door een
goede ondervraging van de patiënt en door het bestuderen van het ECG. Sommige
prikkels zijn typisch voor het uitlokken van symptomen bv. plots geluid bij
LQTS subtype 2, bewustzijnsverlies tijdens het zwemmen in koud water bij LQTS
subtype 1. De verschillende subtypes hebben bovendien vaak een typisch ECG - patroon.
Het resultaat van dit DNA-onderzoek is gekend ongeveer 6 maanden na het afnemen
van het bloedstaal. In een aantal gevallen blijft dit langdurig onderzoek
zonder resultaat: het is in de praktijk zeer moeilijk om in het laboratorium
alle mogelijke afwijkingen in de verschillende genen op te sporen. Het komt dus
regelmatig voor dat er in een bepaalde familie met een duidelijke geschiedenis
van LQTS via DNA-onderzoek (nog) geen afwijking in het DNA gevonden wordt. Dit
sluit echter niet uit dat het om een erfelijke vorm van LQTS gaat. De
familieleden uit dergelijke families moeten wel degelijk rekening houden met
een sterk verhoogd risico op LQTS en regelmatig cardiologisch onderzoek is
aangewezen. In deze families is echter geen predicatieve test mogelijk.
Predicatief testen
Indien in een familie via DNA-onderzoek de genetische afwijking voor
LQTS opgespoord is bij een aangetast familielid, dan kunnen familieleden die
het zelf wensen via een predicatieve test te weten komen of ze drager zijn van
dezelfde afwijking in hun erfelijk materiaal.
Wie drager is, heeft 1 kans op 2 om de afwijking door te geven aan de kinderen.
Als een persoon drager is van een genetische afwijking in een LQTS gen, dan
heeft hij een sterk verhoogd risico op deze aandoening.
Wie geen drager is kan de afwijking ook niet doorgeven aan de kinderen. De
familieleden die geen drager zijn van een afwijking in het LQTS gen hebben
hetzelfde risico als een willekeurige persoon uit de algemene bevolking om LQTS
te krijgen.
De beslissing om een predicatieve DNA-test voor LQTS te laten uitvoeren is een
beslissing die verregaande gevolgen kan hebben. Om mensen voor te bereiden op
het testresultaat en hen te begeleiden bij het kiezen van de voor hen meest
geschikte preventieve maatregelen in geval van een slecht testresultaat, is het
van groot belang dat aanvragen voor predicatieve tests in de genetische centra
verbonden aan de universitaire ziekenhuizen behandeld worden door een
multidisciplinair team. Dit team heeft aandacht voor de factoren die een rol
kunnen spelen bij de beslissing en voor de behoeften, de vragen en de zorgen
die een mogelijke confrontatie met een erfelijke hartziekte kan oproepen.
Behandeling
Het LQTS is aangeboren en niet te genezen. Een behandeling kan echter de kans op
een hartritmestoornissen zeer sterk verkleinen. Deze behandeling bestaat meestal
uit medicijnen (bètablokker) en heel soms uit een pacemaker of interne
defibrillator (ICD).
Preventieve maatregelen
Tot op heden is er geen enkele manier om de aandoening te voorkomen of te
genezen, maar bij vroege ontdekking van LQTS is er een grotere kans om ernstige
verwikkelingen te voorkomen, namelijk door het gebruik van bepaalde medicatie
te vermijden of bepaalde maatregelen te nemen (vermijden van extreme
sportinspanningen, vermijden van plotse geluidsprikkels, zwemmen,...).
Daarom is het belangrijk dat personen die drager zijn van een afwijking in één
van de LQTS genen en dus een sterk verhoogd risico hebben om deze aandoening te
ontwikkelen zich medisch goed laten volgen. Dit gebeurt best jaarlijks. Bij
kinderen wordt doorgaans afgewacht tot na de puberteit.
Wanneer na een predicatieve test blijkt dat een persoon geen drager is van een
afwijking in de gekende LQTS genen die in de familie voorkomt dan is een
medische opvolging hiervoor niet noodzakelijk : deze persoon heeft dan immers
niet meer kans op deze aandoening dan een willekeurige persoon in onze
bevolking.
Aan personen die behoren tot een familie waarin een afwijking in één van de
LQTS genen gevonden werd maar die zelf geen predicatieve test laten uitvoeren,
wordt aangeraden om zich medisch te laten volgen zoals personen die via een predicatieve
test drager blijken te zijn van een afwijking in één van de genen.
Tot op heden is het niet steeds mogelijk is om in elke familie de genetische
afwijking voor LQTS op te sporen. Het kan dus gebeuren dat een persoon behoort
tot een familie met een duidelijke familiegeschiedenis van LQTS maar waarin het
erfelijkheidsonderzoek geen afwijking heeft kunnen vaststellen in één van de
LQTS genen. In dit geval wordt aangeraden om zich medisch te laten volgen zoals
personen die via een predicatieve test drager blijken te zijn van een afwijking
in één van de LQTS genen.
Voorkomen
Het LQTS
komt naar schatting bij 1 op de 5.000 personen voor. Overerving
In de meeste gevallen erft LQTS autosomaal dominant over. Zeldzaam is een
autosomaal recessieve overerving die gaat gepaard met aangeboren doofheid (het
syndroom van Jervell-Lange-Nielsen).