Bij u is een ritmestoornis geconstateerd die behandeld gaat
worden met een katheterablatie. U bent mogelijk eerder opgenomen geweest voor
een Electro-Fysiologisch Onderzoek (EFO). Tijdens het EFO is onderzocht waar de
ritmestoornis vandaan komt. In de folder ‘Electrofysiologisch Onderzoek’ kunt u
lezen over de opname, de voorbereiding en het onderzoek zelf. Deze folder geeft
u informatie over de zogenaamde ablatietechniek.
Voor deze behandeling wordt u enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen op de
afdeling Hartziekten (C9-Q). Op de opnamedag wordt u voorbereid voor de
ablatie, die de volgende dag plaatsvindt. In principe mag u op de derde dag
weer naar huis, mits er geen complicaties optreden. Uitzonderingen hierop zijn
de MAZE-ablatie en de VT-ablatie: daarvoor bent u 4-5 dagen opgenomen.
Wat is een katheterablatie?
Dit is een techniek waarbij met behulp van een katheter met
opzet hartweefsel plaatselijk wordt beschadigd. Hiermee kan de oorzaak van een abnormaal
hartritme worden weggenomen. De katheters worden ingebracht via de rechter en
soms ook de linker lies (figuur 1). De cardioloog beweegt de katheter langs de
hartspier om de oorsprong van de ritmestoornis te lokaliseren. Hierbij wordt
gebruikt gemaakt van computersignalen. Is de locatie gevonden, dan wordt de
kathetertip op die plaats tegen de hartspier aangelegd en verhit. De
kathetertip kan een temperatuur van zo’n 70 graden Celsius bereiken. Tijdens
deze behandeling kunt u een branderige pijn op de borst voelen. Die pijn
verdwijnt na korte tijd vanzelf weer.

Figuur 1. Hartkatheterisatiekamer tijdens een ablatie
Door deze temperatuur wordt op dat punt hartspierweefsel weggebrand
(beschadigd). Er ontstaat een littekentje van enkele millimeters in doorsnede
en diepte. Dit littekentje kan prikkels niet meer voortgeleiden zodat de
ritmestoornis niet meer kan optreden. Meestal is het nodig om meerdere malen te
branden. Om te controleren of de ritmestoornis definitief weg is, zal worden
geprobeerd om de ritmestoornis op te wekken. Dit opwekken gebeurt op de zelfde
manier als tijdens een EFO. Is de ritmestoornis nog opwekbaar, dan zal de behandeling
voortduren totdat de ritmestoornis niet meer op te wekken is. Is de
ritmestoornis niet meer op te wekken dan is de procedure klaar. Afhankelijk van
de soort ablatie is de duur van de behandeling 1 – 4 uur.
De ritmestoornissen
De ritmestoornissen zijn grofweg in 5 groepen te verdelen:
1. WPW of extra
verbinding
2. AV nodale re-entry tachycardie
3. Atriumflutter
4. Atriumfibrillatie
5. Ventriculaire Tachycardie (VT)
Hieronder worden de groepen kort beschreven.
1. WPW of extra verbinding
Bij een WPW (Wolff-Parkinson-White) syndroom bestaat er een extra verbinding
tussen boezem (atrium) en kamer (ventrikel), gelegen in de klepring van het
hart. Deze extra verbinding bestaat uit een kleine spierbundel. Over deze
bundel wordt de elektrische prikkel vanuit de boezem sneller voortgeleid naar
de hartkamer dan via de normale verbinding, de zogenaamde AV-knoop. Op het
oppervlakte ECG (‘hartfilmpje’) kan dit zichtbaar zijn. Is dit niet zichtbaar
maar is er toch een tweede verbinding tussen boezem en kamer, dan wordt
gesproken van een verborgen extra verbinding, of wel een ‘concealed bypass’.

Figuur 2. Tijdens een ritmestoornis cirkelt de stroom door het hart: heen over
de normale verbinding, terug over de extra verbinding (hier linkszijdig
getekend).Dit is een zgn. ‘macro-rentry’ circuit.
Er kan zich een cirkelritmestoornis voordoen als de stroom
over de extra verbinding van kamer naar boezem terugloopt (figuur 2). Bij de
behandeling van deze ritmestoornis wordt gezocht naar de locatie van de extra
bundel. Op de plaats waar de bundel loopt wordt de tip van de katheter gelegd
en verhit. Hierdoor wordt de bundel vernietigd. In het algemeen is het nodig om
enkele keren te branden voor de bundel in zijn geheel definitief weg is. Dit is
in het algemeen ook op het ECG te zien (figuur 3).
|
|
|
|
Figuur 3. |
|
2. AV nodale re-entry
tachycardie
Onder normale omstandigheden loopt de geleiding van boezem naar kamer via AV-knoop.
Bij deze ritmestoornis ligt de extra bundel in het AV-knoop gebied. Deze bundel
kan de elektrische activiteit weer teruggeleiden van kamer naar boezem.
Hierdoor ontstaat een cirkelritmestoornis (figuur 4). Aan de hand van de
electrofysiologische signalen en het röntgenbeeld wordt de bundel opgezocht.
Ook hier is het meestal nodig om meerdere malen te branden.
Bij deze ablatie moet voorzichtig te werk gegaan worden omdat de extra bundel
dichtbij de normale geleidingsbundel ligt. Als deze normale geleidingsbundel
wordt beschadigd kan het hartritme vanuit de boezem niet meer naar de kamer
worden voortgeleid. De kans hierop is klein, maar niet te verwaarlozen
(<3%). In dat geval zou tijdens dezelfde opname op een later tijdstip een
pacemaker moeten worden geïmplanteerd.

Figuur 4. Tijdens een ritmestoornis cirkelt de stroom door het hart, om de
AV-knoop heen. Dit is een zgn. ‘micro-rentry’ circuit.
3. Atriumflutter
Bij een atriumflutter cirkelt een stroom snel rond in de boezem, de ventrikel
volgt wat langzamer. Omdat het een rondcirkelende stroom is, is niet mogelijk
om een bundel of een bepaald punt te ableren. Bij deze ablatie wordt een daarom
een ‘lijntje’ getrokken om de stroom te onderbreken. Deze lijn komt tot stand
doordat met de kathetertip puntjes naast elkaar worden gebrand, die samen een
lijn vormen. Als alle punten gebrand zijn wordt gecontroleerd of de puntjes een
aaneengesloten lijn vormen. Is dit niet het geval dan worden de openingen in
het lijntje alsnog dichtgebrand zodat er geen prikkel meer door kan en de
ritmestoornis behandeld is.
4. Atriumfibrillatie
Bij deze ritmestoornis is het boezemritme geheel chaotisch. De hartkamer volgt
de boezem onregelmatig. Afhankelijk van de situatie kan worden gekozen voor 2
behandelingen.
a. MAZE ablatie
Hierbij worden met behulp van een ablatiekatheter ‘lijntjes getrokken’ rondom
de longaders, op de plaats waar deze uitmonden in de linker boezem. De
katheters worden ook via de rechter en linker lies ingebracht, maar om in de
linker boezem te komen wordt vanuit de rechter harthelft een klein gaatje
geprikt in het boezem-tussenschot. U merkt hier niets van.
Deze ingreep blijkt, in combinatie met medicijnen, bij 50-75% van de patiënten
het boezemfibrilleren te kunnen verhelpen.
b. Hisbundelablatie
Bij deze ablatie wordt de natuurlijke verbinding tussen het atrium en de
ventrikel met opzet doorgebrand. Meestal is het hartritme hierna traag,
ongeveer 40 slagen per minuut. Daarom wordt voor de zekerheid bij het begin van
de procedure een tijdelijke pacemakerdraad ingebracht.
De definitieve pacemaker is reeds bij u ingebracht of wordt aansluitend aan de
ablatie geplaatst.
5. Ventrikeltachycardie
Bij een ventrikel tachycardie (‘VT’) (figuur 5) is de locatie van de
ritmestoornis gelegen in de rechter of de linker ventrikel. Dat kan zowel de
linker als de rechter ventrikel zijn. De elektrische impulsen cirkelen rond in
een gebied van de hartspier. Op de overgang van afwijkend hartweefsel en gezond
weefsel zijn cellen aanwezig die de elektrische prikkels supersnel kunnen
doorgeven. Hierdoor krijgt de ritmestoornis kans te bestaan. Bij een VT ablatie
wordt dit gebied opgezocht en onderbroken.
Niet iedere VT komt in aanmerking voor een ablatie. Bij het EFO moet gebleken
zijn dat de ritmestoornis opwekbaar is en dat u de ritmestoornis goed kunt
verdragen en bij kennis blijft. Toch kan het voorkomen dat tijdens de ablatie
het hartritme ‘op hol’ slaat waardoor u alsnog het bewustzijn kunt verliezen.
Het ritme wordt weer genormaliseerd met een elektrische stroomstoot. Dit kan
een pijnlijk en beurs gevoel geven op de borst.

Figuur 5. ECG tijdens ventrikeltachycardie (‘VT’)
Einde van het onderzoek
Als het onderzoek klaar is, worden de katheters verwijderd.
De sheaths blijven achter in de lies en worden afgeplakt. De verpleegkundige
legt een drukverband om de lies aan. Daarna wordt u weer in uw bed geholpen. De
verpleegkundigen van de verpleegafdeling komen u weer ophalen en brengen u
terug naar de afdeling (figuur 6). Uw hartritme wordt onderweg bewaakt.

Figuur 6. Verpleegkundigenpost op de afdeling Hartziekten (C9-Q)
Bedrust
Als u weer terug bent op de afdeling, mag u weer gewoon eten
en drinken. Zolang de sheaths in uw lies zitten moet u plat blijven liggen. De
sheaths worden na ongeveer 4 uur uit de lies verwijderd door de zaalarts en
deze drukt de lies af gedurende ongeveer 10 minuten. Hierna legt de
verpleegkundige een drukverband aan. Dit drukverband blijft gedurende 6 uur om
uw lies zitten. Zolang het drukverband aanwezig is moet u uw been stil laten
liggen. Dit vinden veel patiënten niet prettig. Na 6 uur wordt het drukverband
verwijderd en mag u weer uit bed komen. De verpleegkundige controleert regelmatig
uw bloeddruk en het verband in de lies. Ook wordt bij u nog een hartfilmpje
gemaakt ter controle.
Wanneer de sheaths zijn verwijderd krijgt u een infuus met een bloedverdunner.
Dit infuus wordt aangesloten ongeveer een half uur nadat de sheaths zijn
verwijderd. Het infuus loopt gedurende tenminste 12 uur. U zult ook
bloedverdunnende pillen krijgen, welke nog enige tijd moeten worden gebruikt. U
krijgt hiervoor duidelijke instructies en zo nodig een recept mee bij ontslag.
Weer naar huis
De dag na de ablatie wordt bloed afgenomen, er wordt een
hartfilmpje (ECG) en een echo gemaakt. De cardioloog moet de echo gezien hebben
voor u met ontslag kunt. Er wordt voor u een afspraak gemaakt om 4 tot 6 weken
na de ablatie op de polikliniek te komen.
Zorg ervoor dat iemand u met de auto komt ophalen. Vanwege het wondje in uw
lies is het af te raden om zelf een auto te besturen. Thuis kunt u alles doen
wat u gewend bent, doe echter de eerste dagen niet aan sport, en doe het
voorzichtig aan.
Het kan zijn dat u de eerste dagen tot weken na de behandeling eens wat vaker
dan gewoonlijk een overslag voelt of zelfs een ‘aanzetje’ tot een
ritmestoornis. Ook kan het hartritme nog enige tijd sneller dan gewoonlijk zijn
of kunt u zich nog wat moe voelen. Uw hart en uw lichaam moeten zich nog
enigszins aanpassen. Deze klachten verbeteren zich in de loop van de tijd
spontaan.
Tot slot
Complicaties
Aan de meeste medische ingrepen zijn risico’s verbonden. Ook bij
elektrofysiologisch onderzoek en ablatiebehandeling kunnen complicaties
optreden. De risico’s zijn per patiënt verschillend, in het algemeen zijn ze
gering te noemen. Dit wordt met u besproken door de afdelingsarts op de dag dat
u wordt opgenomen.
Vragen?
Wanneer u na het lezen van deze folder nog vragen hebt, kunt u terecht bij uw
behandelend cardioloog. Als u opgenomen bent kunt u ook terecht bij de
verpleegkundige en de zaalarts op uw afdeling. Als geheugensteuntje kunt u uw
vragen achterin deze folder schrijven. De arts die het onderzoek en de
behandeling uitvoert, vertelt u steeds wat er gaat gebeuren. U kunt dan ook
vragen stellen.
Bron LUMC