Kathetergebonden
sluiting van het atriumseptumdefect
Door M Witsenburg
AZR-Sophiakinderziekenhuis, afdeling kindercardiologie, Rotterdam
De ontwikkeling van kathetergebonden sluiting van het
atriumseptumdefect (ASD) kent reeds een lange geschiedenis. Als logisch gevolg
van de ontwikkeling van een dubbel parapluutje om de ductus arteriosus te
sluiten werd reeds 15 jaar geleden een modificatie van dit oorspronkelijke
concept ontwikkeld en experimenteel toegepast voor sluiting van een secundum
type ASD bij kinderen. Een constructietechnisch probleem,wat overigens nooit
aanleiding gaf tot klinische problemen, heeft de bredere introductie vertraagd
tot 1996. Sindsdien is in diverse kindercardiologische centra in ons land deze
techniek toegepast met het Cardioseal ® device. Tijdens de
"learningcurve", inherent aan alle nieuwe behandelingvormen, bleek
dat bij een aantal defecten deze techniek niet kon worden toegepast. Een te
grote diameter van het defect, te weinig rand rondom om de occluder te
positioneren, multiple defecten, of een positie waarbij de occluder andere
structuren in het hart zoals de mitralisklep kon compromitteren, waren hierbij
de meest frequente oorzaken. Deze patiënten werden alsnog chirurgisch
behandeld. Met de introductie in 1998 van een occluder volgens een ander
principe (Amplatzer ®), ontstond de mogelijkheid om ook grotere defecten met
een gestrekte diameter tot ruim
Complicaties tijdens of na de procedure zijn niet gebonden aan het type device.
Door heparinisatie gedurende en kort na de procedure worden thrombo-embolische
problemen voorkomen. Om een goede endothelialisatie te verkrijgen volgt
nabehandeling met een lage dosis acetylsalicylzuur. Bij het inbrengen van de
lange, transseptale sheath bestaat het risico op een luchtembolie. Embolisatie
van de occluder treed incidenteel op, vrijwel altijd tijdens of kort na de
implantatie. Behandeling van dit probleem is soms mogelijk met behulp van een
katheterinterventie, doch meestal volgt chirurgische verwijdering met
gelijktijdige sluiting van het defect. Uit de follow-up blijkt dat aanvankelijk
nog een restshunt door het ASD aanwezig kan zijn welke bij veel patiënten
binnen een jaar is verdwenen. Ritmestoornissen tijdens of na implantatie vormen
geen probleem.
Als er een indicatie is om een ASD te sluiten, veelal vanaf de leeftijd van 3-4
jaar, dan komen centraal in het atriumseptum gelegen defecten tot een diameter
van ruim
In de komende jaren zijn verdere verbeteringen in de ontwikkeling van de
devices te verwachten. Binnenkort is reeds een minder grondstoffelijke
ASD-occluder beschikbaar welke vrijwel geheel uit Goretex® bestaat en waarbij
er geen direct contact meer is tussen het metalen frame en het bloed. Hiermee wordt
een chirurgische sluiting met een patch vrijwel geïmiteerd.
BALLOON
ANGIOPLASTY AND STENTS FOR COARCTATION OF THE AORTA
N.Sreeram
Wilhelmina Children's Hospital,
Background:
Balloon dilation is now accepted as the treatment of choice for recoarctation
of that aorta. In several relatively large series of patients, it has been
associated with a low risk, a high acute success rate and low incidence of
recurrence of coarctation after successful dilation. The role of balloon
dilation for native (untreated) coarctation is more controversial. In older
children (>3 months of age) the results are comparable with published
surgical series, with a recurrence risk of approximately 10%. In young
patients, in whom the arterial duct is patent and in whom the systemic
circulation may be partly dependent on persistent patency of the duct, the
results are less satisfactory, with higher recurrence rates after primary
balloon dilation.
Results of balloon dilation
for native coarctation
We have to date performed primary balloon dilation for coarctation in 40
patients (age range 14 days to 58 years). The procedure was acutely successful
in 38/40 patients. Of the two failures, one patient was referred for surgery,
the other underwent successful balloon angioplasty 3 months later. One patient
(the oldest in the series, aged 58 years) developed an acute dissection of the
aorta which was successfully treated by stent placement at the same procedure.
Over a mean follow-up of 4 years, 5 patients (13%) developed recoarctation,
between 4 to 29 months after initial dilation. Two of the five patients
underwent a second (successful) balloon dilation; the other 3 were referred for
surgery. All patients with successful balloon dilation are symptom-free, on no
medications, and with normal resting blood pressure and no left ventricular
hypertrophy.
Stents:
Stent placement may be the treatment of choice for the older patient with
coarctation (native or recoarctation). To date, 7 patients (age range 12 - 58
years) have undergone stent therapy for coarctation (5 recoarctation, 2 native
coarctation) at our institution. The procedure was acutely successful in all
cases, with increase in median diameter of the coarctation site from 6 (range
3-10) to 17 (15-20) mm.
Conclusion:
Balloon angioplasty is the treatment of choice for recoarctation. It may be
considered as an alternative to surgery in infants >1 month of age with
native coarctation of the aorta. In older patients, balloon expandable stents
may be the treatment of choice for both types of coarctation.
Katheterablatie met
radiofrequente energie als behandeling van ritmestoornissen bij kinderen
NA Blom
Leids Universitair Medisch Centrum, afdeling kindercardiologie, Leiden
Het bestuderen van hartritmestoornissen is mogelijk met
behulp van elektrofysiologisch onderzoek. Door geprogrammeerde stimulatie van
het hart worden ritmestoornissen opgewekt en onderbroken, waardoor het
mechanisme en de lokalisatie van de ritmestoornis zichtbaar wordt. Door de
introductie van radiofrequente energie heeft het elektrofysiologisch onderzoek
zich verplaatst van diagnostiek naar therapie. Door middel van radiofrequente
golven (500 KHz) via de tip van een elektrode katheter wordt lokaal verhit (60
tot
Het succespercentage van RF-ablatie bij SVT's is hoog (boven
95%), waarbij in circa 10 tot 15% wegens het optreden van een recidief een
tweede procedure nodig is. De kans op complicaties is zeer gering, waarbij het
optreden van een atrioventriculair blok een zeldzame maar ernstige complicatie
vormt. De indicaties voor RF-ablatie van SVT bij oudere kinderen zijn gelijk
aan die van volwassenen. Bij oudere kinderen met het WPW-syndroom is RF-ablatie
inmiddels behandeling van eerste keuze. Bij jonge kinderen (<3-4 jaar) en
zuigelingen is bestaan er slechts weinig indicaties voor RF-ablatie. Bij deze
groep is RF-ablatie alleen geïndiceerd wanneer alle medicamenteuze regimes
hebben gefaald. Allereerst omdat SVT's op neonatale leeftijd de neiging hebben
om te verdwijnen of minder frequent op te treden na het eerste levensjaar en
ten tweede omdat de kans op ernstige complicaties groter is. Een belangrijk
punt bij de behandeling vormt de stralenbelasting, die gemiddeld een half uur
bedraagt en procedures met doorlichtingstijden van een uur zijn geen
uitzondering. Een oplossing hiervoor is de ontwikkeling van nieuwe mapping
technieken, die de lokalisatie van elektrode katheters mogelijk maken zonder
doorlichting.
Samenvattend kunnen we stellen dat RF-ablatie een belangrijke plaats inneemt
bij de behandeling van ritmestoornissen bij kinderen, waarbij echter de
indicatiestelling bij jonge kinderen duidelijk verschilt van die van volwassen
patiënten.
Katheterinterventies bij
kinderen: nieuwe ontwikkelingen
AM van Oort
Universitair Medisch Centrum St Radboud, Kinderhartcentrum, Nijmegen
Vanaf 1966 worden katheterinterventies verricht bij kinderen
met een aangeboren hartafwijking. Toen was er alleen sprake van een
ballonseptostomie(Rashkind). Hoewel het een vrij grove behandelwijze betreft,
wordt een ballonseptostomie ook tegenwoordig nog uitgevoerd en behoort tot een
van de "rescue"-maatregelen van de kindercardioloog.
In de zeventiger jaren werd op kleine schaal percutaan een ductus Botalli
gesloten bij adolescenten, maar de ontwikkeling bleef steken op het toch wel
erg grove materiaal met zeer dikke introductieschachten. Katheterablatie voor
ritmestoornissen werd vooral bij adolescenten en volwassenen verricht.
Pas vanaf de tachtiger jaren zijn er andere technieken voor
katheterinterventies ontwikkeld. In 1982 is de eerste ballonvalvuloplastiek van
een pulmonalisklep beschreven en in 1987 was de eerste melding van het sluiten
van een ductus Botalli met een kindvriendelijke dubbelparaplu. In 1992 werd de
eerste stentimplantatie in een pulmonaaltak bij kinderen gepubliceerd. Rond
1994 kwamen "controlled release" spiralen beschikbaar, waarmee met
meer zekerheid een ductus Botalli gesloten kon worden dan met de reeds vele
jaren door de radiologen gebruikte "losse" spiralen, die overigens
heden ten dage nog veel gebruikt worden in de USA omdat de FDA daar het gebruik
van verschillende devices verbied.
Vanaf ongeveer 1997 is de techniek van het percutaan sluiten van een ASD een
min of meer routine-behandeling geworden in kinderhartcentra.
Wat zijn nu de ontwikkelingen van de laatste jaren?
De ballonseptostomie is onveranderd gebleven qua procedure en indicatiestelling
Voor ballondilatatie is het kathetermateriaal steeds verfijnder geworden met
kleinere introductieschachten. Ook de voerdraden zijn handzamer geworden en het
multitracksysteem maakt het mogelijk tussentijds drukmetingen en angiografie te
doen of twee ballonkatheters tegelijk ter plaatse van de vernauwing te brengen.
Voor stentimplantatie zijn nu flexibelere stents beschikbaar met afgeronde
uiteinden. Gebleken is dat tot jaren na implantatie een stent verder
gedilateerd kan worden, hetgeen belangrijk is voor het groeiende individu en
het indicatiegebied voor stentimplantatie ruimer maakt. Het primair dilateren
(en stenten) van een natieve coarctatio aortae blijft discutabel. Een novum van
het jaar 2001 is de implantatie van een klephoudende stent als alternatief voor
een chirurgische homograft. Nieuwe ontwikkelingen zijn de "covered
stent" en de "biodegradabele stent".
Voor sluiting van een (grote) ductus Botalli is nu een Amplatz-plug beschikbaar
en voor het sluiten van een ASD zijn nog steeds nieuwe vormen van
patch/schijf/paraplu-devices in ontwikkeling. Voor het sluiten van een VSD
worden weer andere devices ontwikkeld, is de plaatsingstechniek moeilijker en
is het indicatiegebied nog onduidelijk.
De laatste 2 jaar wordt in Nederland RF-katheter perforatie van een
pulmonalisklepatresie met ballodilatatie toegepast, als alternatief voor een
valvulotomie/shunt operatie.
Ook voor katheterablatie van ritmestoornis-foci zijn de materialen verfijnder
geworden en is deze behandeling nu mogelijk vanaf jonge schoolleeftijd.
Developmental and neurobehavioral profile of
very low birth weight infants in early infancy
MJ Wolf1, K Koldewijn1, A
Beelen1, B. Smit2, A van Wassenaer2, IJM de Groot1
1Department of Rehabilitation and 2Department of Neonatology,
Introduction:
More than half of the very low birth weight infants (VLBW) encounter
developmental and/or neurobehavioral deficits later in life which are often not
identified in early infancy.
Objectives:
To investigate if developmental and neurobehavioral measurements are able to
detect deficits in the first 6 months of life.
Methods:
Twenty VLBW infants and 10 term infants were assessed at term, 3 and 6 months
of age in order to describe their developmental and neurobehavioral profile.
Development was evaluated with the Bayley Scales of Infant Development-II
(BSID-II) Motor and Mental Scale at 3 and 6 months of age. Neurobehavioral
assessments included the Neonatal Behavioral Assessment Scale (NBAS) at term
age, the Infant Behavioral Assessment (IBA) at term, 3 and 6 months of age and
the Behavioral Rating Scale of the BSID-II at 3 and 6 months of age.
Results:
At six months of (corrected) age VLBW infants performed significantly lower on
the BSID-II: 60% of the VLBW infants scored questionable or non-optimal on the
Bayley psychomotor developmental index (tabel 165.1). On the behavioral
assessments VLBW infants also scored unfavourable compared with term infants.
VLBW infants showed more stress, less approach behavior and more problems with
self-regulation in all subsystems on the IBA at 6 months of age compared with
term infants. On the Behavioral Rating Scale of the BSID-II, 85% of the infants
scored questionable or non-optimal and on the motor quality factor of the
Behavioral Scale even 90% of the VLBW infants scored questionable or
non-optimal (tabel 165.2).
Conclusions:
At 6 months of age VLBW infants performed significantly worse on the BSID-II
and encountered significantly more behavioral problems than term infants. In
VLBW infants especially the poor motor quality on the Behavioral Rating Scale
was striking. Developmental and neurobehavioral intervention in VLBW infants in
the first 6 months of life needs to be investigated.
Tabel 165.1
|
Bayley Scales of Infant Development: index-scores
in preterme and term infants at six months |
||
|
BSID index scores |
term |
preterm |
|
Motor
index scores Mental index scores |
94 13 109 7 |
78 12 0.004 91 10
0.001 |
* Mann-Whitney U test (2-tailed)
Tabel 165.2
|
Bayley Scales of Infant
Development Behavioral scale: percentile scores in term and preterm infants
at six months |
||
|
Behavioral percentile scores |
term |
preterme |
|
Total
score orientation emotional/regulation motor
quality |
87 83 18 98 93 7 87 75 33 74 67 28 |
14 21 22 0.000 28 36 27 0.000 30.5 37 26 0.006 5 8 9 0.000 |
*Mann Whitney U test (2-tailed)
Het Leidse
Follow-Up Project van Prematuren (LFUPP): Risicofactoren voor abnormaal gedrag
op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar bij zeer vroeggeboren kinderen (<32
wkn)
GMSJ Stoelhorst1, PHT v Zwieten3, M Rijken1, SE Martens1, AH
Zwinderman2, JM Wit1
en S Veen1.
1.Willem - Alexander Kinder- en Jeugdcentrum, 2. Afdeling Medische Statistiek,
Leids Universitair Medisch Centrum. 3. Juliana Kinderziekenhuis, Den Haag
In samenwerking met: 't Lange Land Ziekenhuis Zoetermeer, Reinier de Graaf
Ziekenhuis Delft, Rijnlandziekenhuis Leiderdorp, Diaconessenhuis Leiden en
Antoniushove Leidschendam
Doel:
Het bepalen van het effect van prematuriteit op het gedrag van zeer
vroeggeborenen op 2 jarige leeftijd en het kijken naar risicofactoren voor
abnormaal gedrag in deze groep.
Methoden:
Het Leidse Follow-Up Project van Prematuren (LFUPP), een
regionale, prospectieve studie, bevat 92% van de beschikbare levendgeboren
kinderen in 1996/1997 met een zwangerschapsduur < 32 wkn uit de
gezondheidsregio's Leiden, Den Haag en Delft (n=266). Het gedrag werd
onderzocht met de Child Behavior Checklist voor 2-3 jarigen (CBCL, Achenbach
1992). Deze vragenlijst bestaat uit 100 items en kent 6 syndroom schalen:
angstig/depressief gedrag, teruggetrokken gedrag, slaap problemen, somatische problemen,
agressief gedrag en destructief gedrag. In deze schalen worden scores > p98
als klinisch abnormaal beschouwd. Voor de totale probleem score wordt de p90
als klinisch cutoff point gehanteerd. De neurologische outcome op à terme
leeftijd (Prechtl) en op 2 jaar (Hempel) werd gedefinieerd als normaal,
suboptimaal of abnormaal. Abnormaal betekent de aanwezigheid van een volledig
neurologisch syndroom, suboptimaal de aanwezigheid van een gedeelte hiervan.
Statistische analyse: ruwe schaal-scores; univariaat: Mann Whitney, Kruskal
Wallis, Spearman test; multipele regressie: UNIANOVA.
Resultaten:
160 vragenlijsten (68%) van 236 overlevenden beschikbaar voor analyse. Het
percentage kinderen met schaal-scores in de klinische range was hoger dan de
verwachte 2% in 5 van de 6 schalen, hoewel niet significant, zie tabel 166.1.
Tabel 166.1
|
CBCL-schaal |
% >p98 (n),
95% CI |
|
angstig/depressief
gedrag |
1.9 (3), 0 -
4.0 |
|
teruggetrokken
gedrag |
3.1 (5), 0.4 - 5.9 |
|
slaap problemen |
4.4 (7), 1.2 - 7.6 |
|
somatische
problemen |
3.1 (5), 0.4 - 5.9 |
|
agressief gedrag |
3.1 (5), 0.4 - 5.9 |
|
destructief
gedrag |
4.4 (7), 1.2 - 7.6 |
16 kinderen (10%) hadden een totale probleem score in de klinische
range, dit percentage is gelijk aan dat gevonden in een groep 2-3 jarige
kinderen uit de algemene Nederlandse bevolking (Koot 1993).
Analyses in de studiegroep lieten significante associaties zien tussen 1 of
meer
CBCL-schalen en zwangerschapsduur, SGA (geboortegewicht < p10),
neurologische afwijkingen op à term of op 2 jr., non-Kaukasische afkomst, SES
en leeftijd van de moeder, zie tabel 166.2.
Tabel 166.2
|
Risicofactor |
Syndroom schaal |
Cor. coef. |
p |
|
Zwangerschapsduur |
teruggetrokken
gedrag |
-0.18 |
0.03 |
|
|
agressief gedrag |
-0.17 |
0.04 |
|
|
destructief gedrag |
-0.19 |
0.02 |
|
|
totale probleem score |
-0.18 |
0.03 |
|
|
|
|
|
|
SGA (geboortegewicht < p10) |
angstig/depressief gedrag |
0.27 |
0.001* |
|
|
teruggetrokken gedrag |
0.21 |
0.008* |
|
|
slaap problemen |
0.15 |
0.05 |
|
|
somatische problemen |
0.18 |
0.02 |
|
|
totale probleem score |
0.21 |
0.009* |
|
|
|
|
|
|
Neurologische afwijkingen** à term |
teruggetrokken gedrag |
0.19 |
0.02 |
|
|
slaap problemen |
0.22 |
0.007 |
|
|
destructief gedrag |
0.17 |
0.03 |
|
|
totale probleem score |
0.2 |
0.01 |
|
|
|
|
|
|
Neurologische afwijkingen** 2 jr |
teruggetrokken gedrag |
0.24 |
0.003* |
|
|
somatische problemen |
0.18 |
0.05 |
|
|
|
|
|
|
Non-Kaukasische afkomst |
angstig/depressief gedrag |
0.25 |
0.002* |
|
|
|
|
|
|
Socio-economische status |
somatische problemen |
-0.20 |
0.01 |
|
|
|
|
|
|
Leeftijd moeder bij geboorte kind |
totale probleem score |
-0.16 |
0.04 |
* significant na correctie voor confounding factors:
antenatale steroïden, zwd, geslacht, geb.gew., extra-uterien transport,
hypotensie, O2 op 28 dagen,
BPD (O2 36 wkn), dexamethason postnataal, PVL, IVH, SES, ethniciteit, leeftijd
moeder
** suboptimaal of abnormaal
Conclusies:
De incidentie van gedragsproblemen op de gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar in
dit cohort van zeer vroeggeborenen (zwd < 32 wkn) was vergelijkbaar met de
incidentie in een groep 2-3 jarige kinderen uit de algemene Nederlandse
bevolking.
Kinderen die SGA waren bij de geboorte, kinderen met neurologische afwijkingen
op à term of op 2 jr en kinderen van non-Kaukasische afkomst hadden hogere
syndroom schaal-scores, met name voor angstig/depressief en/of teruggetrokken
gedrag.
167.
Schoolcarrière van preterm geboren kinderen met en zonder
periventriculaire-intraventriculaire bloeding in de neonatale periode op de
leeftijd van 10 en 14 jaar
M van de Bor en L den Ouden
Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen en TNO Preventie en
Gezondheid, Leiden
Inleiding:
Als deelproject van het POPS-onderzoek hebben wij reeds eerder gerapporteerd
over de invloed die periventriculaire-intraventriculaire bloedingen (PIVH)
hebben op de mentale en psychomotore ontwikkeling op de leeftijd van 2 en 5
jaar van overlevenden uit een cohort pasgeborenen met een zwangerschapsduur van
minder dan 32 weken, waarbij in de neonatale periode routinematig echografisch
onderzoek van de hersenen was verricht (Neuropediatrics 1988;19:183-185 en Dev Med
Child Neurol 1993;35:33-41).
Doel:
Het effect van PIVH op de schoolprestaties van kinderen en
adolescenten te bepalen.
Methoden:
Op de leeftijd van respectievelijk 10 en 14 jaar werden de schoolprestaties
geïnventariseerd van 272 (90%) en 277 (92%) overlevenden door middel van een
vragenlijst of interview.
Tabel 167.1. School
prestaties van kinderen en adolescenten met en zonder PIVH in de neonatale
periode.
|
|
10 jaar n=272 |
14 jaar n=277 |
||||
|
School |
Normaal |
Achter in gewoon onderwijs |
Speciaal onderwijs |
Normaal |
IVMBO* |
Speciaal onderwijs |
|
Geen PIVH |
88 (41.3%) |
91 (42.3%) |
35 (16.4%) |
106 (49.3%) |
83 (38.6%) |
26 (12.1%) |
|
Alle graden PIVH |
23 (39.6%) |
15 (25.9%) |
20 (34.5%) |
25 (40.3%) |
21 (33.9%) |
16 (25.8%) |
|
Graad I/II PIVH |
18 (41.9%) |
9 (20.9%) |
16 (37.2%) |
19 (42.2%) |
16 (35.6%) |
10 (22.2%) |
|
Graad III/IV PIVH |
5 (33.3%) |
6 (40.0%) |
4 (26.7%) |
6 (35.5%) |
5 (29.4%) |
6 (35.3%) |
* IVMBO: Individueel Voorbereidend Middelbaar en
Beroepsonderwijs
Tabel 167.2. Odds
Ratio's (OR) en 95% betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de behoefte aan
speciaal onderwijs op de leeftijd van 10 en 14 jaar bij kinderen en
adolescenten met en zonder PIVH in de neonatale periode.
|
|
10 jaar n=272 |
14 jaar n=277 |
||||
|
|
OR |
95% CI |
P |
OR |
95% CI |
P |
|
Geen PIVH |
1.0 |
|
|
|
|
|
|
Alle graden PIVH |
2.69 |
1.40-5.16 |
0.002 |
2.53 |
1.25-5.10 |
0.008 |
|
Graad I/II PIVH |
3.03 |
1.48-6.21 |
0.003 |
2.08 |
0.92-4.69 |
0.06 |
|
Graad III/IV PIVH |
1.86 |
0.56-6.18 |
NS |
3.97 |
1.35-11.63 |
0.008 |
Resultaten:
Op de leeftijd van 10 en 14 jaar volgden respectievelijk 55 (20.2%) en 42
(15.2%) kinderen en adolescenten speciaal onderwijs in vergelijking met 7.7% en
4.7% in de hele bevolking. Normale schoolprestaties werden slechts door minder
dan de helft van de adolescenten geleverd. Op 10 en 14 jarige leeftijd volgden
significant meer kinderen en adolescenten met PIVH dan kinderen zonder PIVH
speciaal onderwijs (10 jaar: 34.5% vs 16.4%, p<0.001 en 14 jaar: 25.8% vs
12.1%, p<0.001). Zelfs de kinderen en adolescenten met kleinere bloedingen
(graad I en II) volgden vaker speciaal onderwijs dan de kinderen en
adolescenten zonder PIVH (tabel 167.1). Logistische regressie analyse toonde
dat na correctie voor mogelijke 'confounding factors' de behoefte aan speciaal
onderwijs groter was voor de kinderen met graad I en II PIVH dan voor kinderen
zonder PIVH (tabel 167.2).
Conclusie:
Onze gegevens laten zien dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen,
lagere graden PIVH een onafhankelijke risicofactor vormen voor leerproblemen op
de late kinderleeftijd en in de adolescentie.
Follow-up
op 2-jarige leeftijd na antenatale TRH behandeling voor foetale rijping
JH Kok, JM Briët, L van Sonderen, M Buimer, K Boer
Emmakinderziekenhuis AMC, afdelingen neonatologie en obstetrie, Amsterdam
Inleiding:
De mortaliteit en morbiditeit ten gevolge van respiratoire stoornissen bij
sterk vroeggeboren kinderen is ondanks de antenatale behandeling met
corticosteroïden nog steeds aanzienlijk. Door het AMC werd geparticipeerd in 2
placebo gecontroleerde gerandomiseerde klinische trials (Thyroneth in Nederland
en Antenatal TRH trial in Europa), waarin werd onderzocht of TRH toegevoegd aan
antenatale corticosteroïden een verbetering kon geven in de mortaliteit en de
respiratoire morbiditeit bij prematuur geboren kinderen. Deze trials werden
voortijdig beëindigd omdat in een tussentijdse meta-analyse van andere TRH
trials geen effect van TRH kon worden aangetoond. In een van de internationale
trials werden bij na-onderzoek op de leeftijd van 1 jaar meer
ontwikkelingsproblemen gevonden in de TRH behandelde groep.
Doel:
De ontwikkelingsuitkomst op 2 jarige leeftijd te onderzoeken bij kinderen van
wie de moeders in het AMC in beide TRH trials waren geïncludeerd.
Patiënten en methoden:
Zwangeren werden geïncludeerd bij een dreigende partus prematurus van < 30
weken. Naast corticosteroïden (betamethason) werd TRH (4 maal 400 µg iedere 8
uur) dan wel placebo behandeling gegeven. In totaal werden uit 50 moeders 62
kinderen geboren. 4 kinderen overleden antenataal en 6 postnataal. Op 12
maanden werd neurologisch onderzoek volgens Touwen en een Bayley
ontwikkelingstest verricht, op 24 maanden werd de Bayley test herhaald.
Resultaten:
Van de 52 overlevende kinderen werden 21 kinderen in de TRH groep en 21
kinderen in de placebogroep (P-groep) voor follow-up vervolgd (van 10 kinderen
was geen follow-up beschikbaar: 5 geen informed consent, 1 trisomie 21, 4 niet traceerbaar).
Er waren geen verschillen in gemiddelde zwangerschapsduur, geboortegewicht,
tijdsinterval tussen medicatie en geboorte, etniciteit of sociale klasse. In de
TRH groep werden meer respiratoire problemen gevonden, er waren meer
beademingsdagen en er was meer chronische long schade dan de P-groep. In de
P-groep waren geen kinderen met een abnormale neurologische uitkomst, tegenover
3 kinderen in de TRH groep. Op 12 en 24 maanden werd in de TRH groep een lagere
Mental Developmental Index gevonden in de TRH groep vergeleken met de P-groep
(12 mnd: 106 ± 25 vs 120 ± 12; 24 mnd. 91 ± 27 vs 107 ±20).
Conclusie:
Alhoewel het aantal kinderen in deze follow-up studie niet groot is, suggereren
de gegevens negatieve lange termijn effecten na antenatale TRH behandeling.
Deze gegevens onderstrepen nog eens het belang van vervolgonderzoek na
interventies in de perinatale periode.
Lichaamssamenstelling
en groei bij zuigelingen met bronchopulmonale dysplasie
WA Huysman1, N Terpstra1, Gh van Helmond1, NC de Bruin, 2M
de Ridder, J van Goudoever1, PJJ Sauer3.
Erasmus medisch centrum Rotterdam / Sophia Kinderziekenhuis, 1afdeling
neonatologie en 2biostatistiek, 3Academisch Ziekenhuis Groningen
Introductie:
Zuigelingen die in de neonatale periode bronchopulmonale dysplasie hebben
ontwikkeld, tonen frequent een vertraagde groei. De lichaamssamenstelling van
deze kinderen is echter niet bekend. Referentiewaarden van
lichaamssamenstelling voor gezonde Nederlandse zuigelingen zijn beschreven (de
Bruin, 1996). Eventuele toekomstige interventie studies moeten echter niet
alleen gericht zijn op een toename van de groei van gewicht en lengte, maar
zullen ook moeten streven naar een lichaamssamenstelling die overeenkomt met gezonde
zuigelingen.
Doel:
Evaluatie van de groei en lichaamssamenstelling van zuigelingen met BPD in
vergelijking met gezonde zuigelingen.
Methode:
29 Zuigelingen (waarvan 15 jongens) met BPD volgens Northway (gedefinieerd als
O2 behoefte op 28 dagen post partum), werden geïncludeerd in de studie en
prospectief vervolgd gedurende het eerste levensjaar. Antropometrie werd
verricht op de gecorrigeerde leeftijd van 6 weken, 3, 6, 9 en 12 maanden en
uitgedrukt in SD scores met behulp van de Nederlandse groeidiagrammen. Tevens
werd door middel van Total Body Electric Conductivity (TOBEC) de hoeveelheid
Total Body Fat (TBF) en Fat Free Mass (FFM) bepaald en uitgedrukt in SD scores
met behulp van de ontwikkelde referentie waarden voor lichaamssamenstelling (
de Bruin). Tevens werd de voedings-intake geregistreerd.
Resultaten:
Het gemiddelde (SD) geboortegewicht bedroeg 883 (295) g, de gemiddelde (SD)
zwangerschapsduur was 27.3 (1.8) weken. 25 van de 29 zuigelingen werden antenataal
behandeld met steroïden en 26 kinderen postnataal. 23 Kinderen werden in de
neonatale periode behandeld met surfactant en 22 met indometacine wegens een
persisterende ductus Botalli. De gemiddelde O2- therapie was 191 dagen. De
gemiddelde energie intake op 6 weken, 3 en 6 maanden was respectievelijk 117.5,
110.5 en 99 kcal /kg / dag, terwijl de eiwit intake respectievelijk 2.7, 2.4,
en 2.2 gr/ kg/ dag bedroeg.
Tabel 169.1 De
resultaten zijn uitgedrukt in gemiddelde SD scores voor de gecorrigeerde
leeftijd.
|
|
6 weken |
6 maanden |
12 maanden |
|||
|
|
Jongens |
Meisjes |
Jongens |
Meisjes |
Jongens |
Meisjes |
|
Lengte SDS |
-2.31 |
-2.99 |
-1.18 |
-1.87 |
-0.691 |
-1.381 |
|
Gewicht SDS |
-1.44 |
-2.68 |
-0.71 |
-1.95 |
-1.481 |
-2.722 |
|
FFM SDS |
-2.53 |
-3.06 |
-0.98 |
-1.96 |
-0.991 |
-2.522 |
|
TBF SDS |
-0.91 |
-0.73 |
-1.23 |
-1.69 |
-1.14 |
-2.402 |
1 p < 0.05 versus gezonde zuigelingen 2 p < 0.01
versus gezonde zuigelingen
Conclusies:
Zuigelingen met BPD tonen een catch-up groei ten aanzien van hun lengte, maar
niet ten aanzien van hun gewicht in het eerste levensjaar. Alhoewel de eiwit en
energie intake overeenkomt met de richtlijnen, blijven zowel de hoeveelheid Fat
Free Mass als de hoeveelheid Total Body Fat verlaagd in vergelijking met
gezonde zuigelingen van dezelfde leeftijd. De resultaten suggereren dat
zuigelingen met BPD een hogere eiwit en energie behoefte hebben dan gezonde
zuigelingen in het eerste levensjaar.
Gezondheidstoestand
en kwaliteit van leven van ex-premature (POPS) adolescenten
ETM Hille, T Vogels, J Bruil, GHW Verrips, AL den Ouden, SP
Verloove-Vanhorick
TNO Preventie en Gezondheid, Leiden
Inleiding:
Als gevolg van ontwikkelingen in de neonatale intensieve zorg voor pasgeborenen
is de overlevingskans van te vroeggeboren kinderen enorm toegenomen en de
meeste kinderen overleven zonder ernstige handicap. In Nederland doen wij al
lang onderzoek naar de gevolgen van vroeggeboorte, o.a. bij het POPS cohort.
Hierin zit 94% (n=1338) van alle in 1983 levend geboren kinderen <32 weken
zwangerschapsduur of <
Doel:
Op 14-jarige leeftijd hebben we de gezondheidsuitkomsten en gezondheidsgerelateerde
kwaliteit van leven van de POPS adolescenten vergeleken met een referentie
groep.
Methoden:
854 adolescenten en/of ouders (89% van de
Resultaten:
POPS adolescenten zonder disabilites op 5 jaar hebben een vergelijkbare
gezondheidstoestand en een hogere kwaliteit van leven vergeleken met de referentie
groep. Binnen het POPS cohort hebben adolescenten met een disability of
handicap op 5 jaar een significant slechtere gezondheidstoestand en kwaliteit
van leven dan de adolescenten zonder disabilities. Perinatale factoren, zoals
SGA-status, zwangerschapsduur, geboortegewicht, en neonatale ziektegeschiedenis
bleken geen indicatoren voor de gezondheidstoestand en kwaliteit van leven op
14 jaar. De enige perinatale factor die de toestand op 14 jaar helpt in te
schatten was een klinische inschatting van de conditie van het kind bij ontslag
uit het ziekenhuis.
Conclusies:
Zelfgerapporteerde gezondheidstoestand en gezondheidsgerelateerde kwaliteit van
leven is vooral afhankelijk van de disability status op 5 jarige leeftijd. De
hogere kwaliteit van leven van adolescenten zonder disabilities vergeleken met
de referentie groep zou mogelijk verklaard kunnen worden door factoren als
lagere verwachtingen of coping mechanismen.